Een exploitant van casino’s en speelhallen krijgt de gevraagde €2,8 miljoen schadevergoeding voor kansspelbelasting niet. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vindt onvoldoende aangetoond dat de belastingwijziging van 2008 dit bedrijf zwaarder trof dan andere exploitanten. De onderneming voerde aan dat zij door die wijziging structureel verlies leed. Het hof deed op 23 september 2026 uitspraak. De uitspraak van het hof is op 29 oktober gepubliceerd. Daarin blijft het eerdere oordeel van de rechtbank overeind. De naam van het bedrijf is in de openbare stukken weggelaten.
De gevraagde belastingschade bedraagt €2.804.371,03. Daarnaast speelde een afzonderlijk verzoek om vergoeding voor de lange duur van de procedure. Daarvoor kende de rechtbank eerder wel €1.500 toe.
Van omzetbelasting naar 29 procent kansspelbelasting
Het geschil gaat terug tot 1 juli 2008. Tot die datum viel de opbrengst van kansspelautomaten onder de omzetbelasting (btw). Daarna moest de exploitant 29 procent kansspelbelasting betalen over het brutospelresultaat: de inleg minus de uitgekeerde prijzen. De btw op die opbrengst verviel. De onderneming betaalde over juli 2008 tot en met april 2017 in totaal €15.001.787 aan kansspelbelasting. Dat is het bedrag dat gedurende die jaren werd afgedragen, niet de schadevergoeding die nu werd gevraagd.
De kansspelbelasting wordt berekend over het brutospelresultaat, voordat de bedrijfskosten eraf gaan. Een exploitant kan daardoor belasting verschuldigd zijn terwijl onderaan de jaarrekening een verlies staat. In deze zaak stond vast dat de afgedragen belasting volgens de wet was berekend. Het geschil draaide om de vraag of die wet voor dit bedrijf een individuele en buitensporige last opleverde.
Verliescijfers waren niet genoeg
Het hof erkent dat de wijziging voor alle exploitanten van kansspelautomaten ingrijpend was. Voor de gevraagde vergoeding moest het bedrijf echter aannemelijk maken dat de belastingdruk zich bij deze onderneming sterker liet voelen dan in het algemeen. De exploitant wees op de kleine omvang en de ligging van zijn speelhallen. Die zouden nadeliger uitpakken dan bij grotere casino’s en vestigingen elders. Concrete, controleerbare gegevens om die vergelijking te onderbouwen ontbraken volgens het hof.
Ook een rapport over de winstgevendheid van de branche hielp de onderneming niet verder. Dat rapport was op 26 november 2007 opgesteld, vóór de belastingwijziging, en rekende met een resterende winst van €17 miljoen voor de branche. De onderneming had niet getoetst of de aannames uit die voorspelling in de latere jaren waren uitgekomen.
In 2009, 2010 en 2011 leed het bedrijf verlies. De onderneming erkende zelf dat zij vanaf 2008 ook te maken had met een omzetdaling die losstond van de belastingwijziging. De verliesjaren konden daardoor niet uitsluitend aan de nieuwe heffing worden toegeschreven.
Verkoop voor ruim €9 miljoen woog mee
De onderneming werd in 2017 voor ruim €9 miljoen verkocht. Het hof noemt die verkoopprijs, samen met een dividenduitkering van €167.233, als aanwijzingen tegen een individuele en buitensporige belastinglast. Of het bedrijf structureel verlies leed, kon het hof uiteindelijk in het midden laten. Beslissend was de ontbrekende onderbouwing dat het zwaarder was getroffen dan de branche in het algemeen. Daardoor kwam het hof niet meer toe aan de berekening van de gevraagde €2,8 miljoen.
Wel €1.500 voor de lange procedure
Het eerste bezwaarschrift kwam op 29 september 2008 binnen. Toen de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 februari 2025 uitspraak deed, waren ruim zestien jaar verstreken. Een groot deel van die tijd telde niet mee voor de vergoeding. Op verzoek van de onderneming was de behandeling aangehouden in afwachting van proefprocedures uit de branche. Die proefprocedures eindigden met een arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021. De rechtbank liet dertien jaar en twee maanden buiten beschouwing. Bij een redelijke termijn van twee jaar resteerde een overschrijding van één jaar en drie maanden.
De rechtbank kende daarvoor €1.500 immateriële schadevergoeding toe. Ook moest de inspecteur €340,13 proceskosten en €371 griffierecht vergoeden. Het hof bevestigt die rechtbankuitspraak en kent voor het hoger beroep geen aanvullende proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht toe.
Tegen de hoefuitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Fotobasis: Vincent van Zeijst / Wikimedia Commons (CC BY-SA 4.0). AI-montage en OCA-opmaak: OnlineCasino.Amsterdam. De bewerkte fotobasis wordt gedeeld onder CC BY-SA 4.0.
Gepubliceerd op .
